Spelling - Werkwoorden (tegenwoordige tijd)

Vul de correcte vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd in.

- Marijke de taart onder de vier kinderen. (verdelen)
- Je toch niet met andere mensen! (spotten)
- je op de fiets naar school? (rijden)
- Mama een tapijt. (weven)
- We die lamp om ze te vervangen. (losdraaien)
- De werkman stenen in zijn kruiwagen. (laden)
- De juf een spannend boek voor. (lezen)
- De trein . Haast je! (vertrekken)
- Hij later brandweerman. (worden)
- Jullie alvast die stapel schriften ! (uitdelen)